geluid recreatiewoning en Activiteitenbesluit

Geluid recreatiewoning en Activiteitenbesluitgeluid recreatiewoning

Onder ‘woning’ in de zin van het Barim (thans: Activiteitenbesluit) wordt verstaan: “een gebouw of een deel van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd’. 

De Afdeling bevestigt in deze uitspraak van 11 juli 2012, LJN: BX1081 nog eens dat hieronder ook permanent bewoonde recreatiewoningen moeten worden beschouwd.

In deze uitspraak gaat het om een bestemmingsplan dat een sportcomplex mogelijk maakt. Het sportcomplex zal worden gebruikt voor voetbal en cricket. Appellant die een naastgelegen woning bewoont op een afstand van 10 meter van het plangebied, stelt beroep in. Hij stelt dat er ter plaatse geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat, met name vanwege geluidhinder.

De gemeente stelt zich op het standpunt dat is aangesloten bij de afstanden die in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ zijn opgenomen en dat daaraan wordt voldaan. De raad brengt onder meer naar voren dat het veldsportcomplex valt onder de werkingssfeer van het Barim, zodat aan de daarin gestelde geluid- en lichtnormen moet worden voldaan.

Geluid recreatiewoning – De woning van appellant is in strijd met het bestemmingsplan opgericht. Er geldt voor de recreatiewoning de bestemming ‘Recreatie’. De gemeente heeft zich volgens de Afdeling onterecht op het standpunt gesteld dat wordt voldaan aan de aanbevolen afstand van 50 m voor een veldsportcomplex t.o.v. een milieugevoelige bestemming.

Uit het akoestische onderzoek blijkt dat t.a.v. de permanent bewoonde woning sprake is van een overschrijding van de in het Barim gestelde grenswaarden door voetbaltrainingen in de avondperiode op het trainingsveld. “Niet is gebleken van waarborgen op grond waarvan kan worden aangenomen dat (..) een geluidwerende voorziening zal worden gerealiseerd dan wel andere maatregelen zullen worden getroffen zodat aan de in het Barim gestelde grenswaarden kan worden voldaan. De raad heeft voorts ter zitting bevestigd niet handhavend tegen de woning van appellant en het gebruik daarvan te zullen optreden. De raad heeft zich gezien het vorenstaande niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre uit het oogpunt van een goed woon- en leefklimaat aanvaardbaar is.”

omgevingsjurist

 

Geluidsoverlast multifunctioneel centrum en woon- en leefklimaat

Geluidsoverlast multifuntioneel centrum en woon- en leefklimaatgeluidsoverlast multifunctioneel centrum

Vrees voor geluidsoverlast multifunctioneel centrum

Zoals u weet dient de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan alle belangen mee te wegen die met de beoogde activiteit kunnen worden geschaad. In dit geval had de raad een bestemmingsplan vastgesteld dat een multifunctioneel centrum mogelijk maakte. In het centrum worden onder andere sportactiviteiten toegelaten.

De buurman vreest geluidsoverlast van de activiteiten in de gebouwen i.v.m. een afstand van slechts 5 m van zijn perceel. De gemeente stelt dat de voorziene bebouwing geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden met zich zal brengen, gelet op de maximale hoogte van 3,5 m van de gebouwen. Tevens zal de bestaande haag van 2,5 m hoog en 80 cm breed in stand worden gelaten.

De Afdeling overweegt “dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van deze bebouwing op een dergelijke korte afstand van de percelen van appellant voor hun woon- en leefklimaat. Daarbij is van belang dat de planregels uitsluitend een maximale goothoogte van 3,5 m voorschrijven, maar hierin geen bouwhoogte is opgenomen die niet mag worden overschreden. Voor zover de raad wijst de op de bestaande beukenhaag ter plaatse, overweegt de Afdeling dat het plan met de bestemming ‘Maatschappelijk’ weliswaar groenvoorzieningen mogelijk maakt, maar dat, zoals appellant terecht stelt, in het plan niet is gewaarborgd dat deze haag, zoals de raad heeft beoogd, ook zal blijven worden gehandhaafd. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom een verschuiving van het bouwvlak in westelijke richting (..) niet mogelijk zou zijn”. Zie uitspraak ABRS 11 juli 2012, no. 201109353/1/R3.

Praktijktip: In de praktijk wordt er naar mijn mening onvoldoende gekeken naar de borging van bepaalde zekerheden voor omwonenden in de planregels van het bestemmingsplan, terwijl dat – binnen bepaalde grenzen – wel mogelijk is. Via een voorwaardelijke bepaling is het bijvoorbeeld mogelijk vast te leggen dat een groene haag moet worden behouden. Een voorwaarde hiervoor is wel dat het vast te leggen onderdeel wel ruimtelijk relevant moet zijn.

 

Kleinschalig kamperen geen verblijfsrecreatie VNG-brochure

Kleinschalig kamperen geen verblijfsrecreatie ingevolge VNG-brochurekleinschalig kamperen

Een bestaande minicamping ligt op een afstand van 15 tot 20 meter van de bestemmingsgrens van een bedrijventerrein. De minicamping maakt onderdeel uit van een agrarisch bedrijf. Deze gronden hebben de bestemming ‘Agrarisch’. Op grond van een omgevingsvergunning (afwijken bestemmingsplan) mag de grond gebruikt worden voor kleinschalig kamperen van 1 april tot 1 november voor ten hoogste 25 standplaatsen.

De gemeente stelt zich op het standpunt dat de minicamping niet behoeft te worden beschermd tegen omliggende bedrijvigheid. Volgens de gemeente zijn de richtafstanden van de VNG-brochure niet van toepassing, omdat de minicamping geen zelfstandig recreatiebedrijf is, maar een nevenfunctie van het agrarisch bedrijf.

Volgens de Afdeling heeft de gemeente zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat in het onderhavige geval het kleinschalig kamperen niet hoeft te worden gelijkgesteld met verblijfsrecreatie als bedoeld in de VNG-brochure. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het kleinschalig kamperen gelet op de systematiek van het bestemmingsplan ‘Agrarisch Buitengebied’ ondergeschikt is aan het agrarische bedrijf en voorts gelet op het aantal toegestane standplaatsen en de toegestane openingsduur van beperkte omvang is.

Het voorgaande betekent volgens de Afdeling echter niet dat de kampeeractiviteiten in het kader van een goede ruimtelijke ordening op geen enkele wijze bescherming behoeven tegen de gevolgen van de door het plan mogelijk gemaakte milieubelastende activiteiten. De Afdeling stelt vast dat de raad de gevolgen van de door het plan mogelijk gemaakte milieubelastende activiteiten voor de gebruikers en exploitanten van de minicamping, waaronder het mogelijk optreden van geluid- en stankhinder, ten onrechte niet heeft betrokken in zijn afweging of de vestiging van het bedrijventerrein, zoals dat door het plan mogelijk wordt gemaakt, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Dit getuigt, mede gelet op de geringe afstand tussen de minicamping en de door het plan mogelijk gemaakte milieubelastende activiteiten, niet van een zorgvuldige belangenafweging in het kader van de voorbereiding van het plan. Zie verder ABRS 27 juni 2012, 201112199/1/R2.

omgevingsjurist

milieuvergunning en bestemmingsplan

Milieuvergunning en bestemmingsplan – hoe is de verhouding?milieuvergunning en bestemmingsplan

In deze uitspraak van 28 december 2011, LJN: BU9438  komt de verhouding tussen milieuvergunning en bestemmingsplan aan de orde. En dan vooral het aspect een goede ruimtelijke ordening. Welk deel wordt ingevuld door de milieuvergunning en welk deel door de afweging die bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet worden gemaakt.

Het bestemmingsplan in kwestie maakt een vergroting van een agrarisch bouwperceel mogelijk voor een bestaande melkveehouderij. Het bouwperceel is uitgebreid om een tweede bedrijfswoning en een werktuigenberging mogelijk te maken. Er vind volgens de raad geen uitbreiding plaats in dieren, dieraantallen en aan- en afvoerbewegingen ten behoeve van het agrarisch bedrijf, te meer nu de geldende milieuvergunning van kracht blijft.

Volgens de Afdeling zijn de gevolgen van het plan beoordeel op grond van de vigerende milieuvergunning. “Een milieuvergunning kent echter een ander toetsingskader dan de Wro en kan in de toekomst worden gewijzigd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient daarom te worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plan. Volgens de raad is de milieuvergunning nog niet geheel benut en is aldus rekening gehouden met een eventuele uitbreiding van het bedrijf op het nieuwe bouwvlak. De raad heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hetgeen de milieuvergunning nog aan uitbreidingsruimte biedt, overeenkomt met de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan. Gelet hierop is niet zonder meer duidelijk dat het bestemmingsplan in zoverre, zoals de raad stelt, niet in betekenende mate kan bijdragen aan de concentratie stoffen als gevolg van de inrichting en de daarbij behorende verkeersbewegingen. Evenmin is inzichtelijk welke gevolgen appellanten daarvan anderszins kunnen ondervinden. Nu de raad niet heeft beoogd meer mogelijk te maken dan het toestaan van een tweede bedrijfswoning en op termijn de bouw van een werktuigenberging, ziet de Afdeling niet in waarom de raad er niet voor heeft kunnen kiezen de uitbreidingsmogelijkheden daartoe te beperken.”

Vragen?

omgevingsjurist

 

Stemgeluid kinderen en geluidsoverlast voor omwonenden

Stemgeluid kinderen en geluidsoverlast voor omwonendenstemgeluid kinderen

In een uitspraak van 20 juni 2012, no. 201109654/1/T1/R1, gaat het over de vermeende geluidsoverlast vanwege stemgeluid kinderen die gebruik maken het grasveld als speelplaats en voetbalveld.  De achtertuinen van appellanten grenzen aan het grasveld. Dit grasveld is publiek toegankelijk en grenst voor een gedeelte aan het schoolplein.

Uit de uitspraak komen de volgende leerzame aspecten ter sprake:

  1. Stemgeluid en inrichting
    Appellant voert aan dat het grasveld deel uitmaakt van de brede school en het tevens een onderdeel is van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer.
    De Afdeling laat deze opmerking buiten beschouwing, omdat ook als het plangebied onderdeel is van een inrichting als bedoeld in de Wm het stemgeluid van personen op het grasveld op grond van artikel 2.18 van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Barim) niet hoeft te worden betrokken bij de vraag of wordt voldaan aan de geluidnormen die in het Barim aan een inrichting worden gesteld.Desondanks moet de gemeente wel afwegen of geluidsoverlast als gevolg van menselijk stemgeluid uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is.
  2. Stemgeluid en een goede ruimtelijke ordening / Stem bestemmingsplan af op uitkomsten akoestisch rapport
    Uit deze uitspraak blijkt weer eens hoe belangrijk het is om het akoestische rapport en de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, goed af te stemmen.  Het akoestische rapport gaf aan dat het grasveld in totaal 3 uur per dag zal worden gebruikt. De buurtbewoner had echter op de zitting bij de Raad van State met een film aangetoond dat overdag meer dan 20 kinderen tegelijkertijd het plangebied als speelplaats gebruiken. Verder liet het bestemmingsplan lichtmasten toe. De Afdeling merkt op dat indien lichtmasten worden geplaatst, het aannemelijk is dat het plangebied ’s avonds langer en intensiever zal worden gebruikt dan waarvan in het rapport is uitgegaan.

Tenslotte maakt het bestemmingsplan mogelijk dat de voorziene speelvoorziening bij de grens van het plangebied wordt gesitueerd – bij de tuinen van de bewoners – terwijl in het akoestische rapport wordt uitgegaan van een afstand van 40 m van de tuinen van de woningen.

omgevingsjurist

aftrek 5 dB Wet geluidhinder goed onderbouwen

Aftrek 5 dB ingevolge Wet geluidhinder goed onderbouwenaftrek 5 dB

In de meeste akoestische onderzoeken die ter voorbereiding van bestemmingsplannen worden gemaakt voor woningbouw, zie ik dat standaard gebruik wordt gemaakt van de aftrekmogelijkheid van 5 dB die artikel 110g Wet geluidhinder (Wgh) biedt. Meestal wordt niet goed gemotiveerd waarom er gebruik van kan worden gemaakt. Uit onderstaande uitspraak blijkt weer eens hoe belangrijk de motivering bij de aftrek is.

In onderhavig bestemmingsplan gaat de Afdeling in op deze motivering. In dit geval ging het om een plangebied waarin een 30 km/u maximumsnelheid gold. In het kader van een goede ruimtelijke ordening had de gemeente een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de gevolgen voor omwonenden inzichtelijk te maken. In het onderzoek zijn aannames gedaan ten aanzien van de toekomstige verkeersintensiteiten. Uit het onderzoek blijkt onder meer dat de geluidbelasting op een aantal meetpunten hoger zal zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De hoogst gemeten geluidsbelasting betreft 60 dB, waarbij een aftrek van 5 dB heeft plaatsgevonden. De aftrek van 5 dB kon volgens de gemeente worden toegepast vanwege het reduceren van geluid van zowel de motor als de banden.

De Afdeling stelt vast dat “niet is uitgesloten dat deze aftrek in de praktijk niet volledig kan worden toegepast bij snelheden van 30 km/u of minder, omdat de geluidemissie bij deze snelheden meer wordt veroorzaakt door het motorgeluid en minder door het bandengeluid. Noch in het akoestische onderzoek, noch anderszins is door de raad gemotiveerd waarom in dit specifieke geval een aftrek van 5 dB mocht worden toegepast. Het betoog dat het akoestisch onderzoek ook in zoverre een omissie bevat, slaagt.” Zie ABRS 13 juni 2012, 201110192/1/T1/R2.

omgevingsjurist

verkeersintensiteiten onvoldoende gewaarborgd in bestemmingsplan

Verkeersintensiteiten onvoldoende gewaarborgd in bestemmingsplanverkeersintensiteiten

Het komt bijna nooit voor dat een bestemmingsplan ‘onderuit gaat’ bij de Afdeling vanwege een verkeersonveilige ontsluiting. In een uitspraak van 9 november 2011 komt een zeldzaam geval ter sprake.

Het bestemmingsplan betreft een voormalig bedrijventerrein waar 320 woningen, enkele commerciële voorzieningen, een jachthaven en een groengebied worden ontwikkeld. Volgens de appellanten vergelijkt de gemeente de verkeerssituatie ten onrechte met de situatie toen het nog een bedrijventerrein was. Volgens hen zijn de in het plangebied aanwezige wegen ongeschikt voor de ontsluiting van het plangebied. Ze vrezen verkeersoverlast. Volgens de raad leidt het plan tot een afname van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de oude situatie (bedrijventerrein) en hoeven geen extra maatregelen te worden genomen.

De Afdeling is echter van mening dat de verhardingsbreedte van twee van de ontsluitingswegen, gelet op de door de Stichting CROW ontwikkelde richtlijnen, te gering is om de daar te verwachten verkeersintensiteiten goed te kunnen verwerken en dat er feitelijk ook geen ruimte is om deze wegen alsnog op de gewenste breedte te brengen, nog daar gelaten dat het zeer de vraag is of de daartoe door het Hoogheemraadschap vereiste keurvergunning verleend zou kunnen worden.

omgevingsjurist

Geluidhinder evenementen en bestemmingsplan

Geluidhinder evenementen en bestemmingsplanGeluidhinder evenementen

Een uitspraak is die van 29 januari 2014, no. 201306557/1/R6. Op de gronden met de bestemming ‘Groen’ is het in het bestemmingsplan toegestaan om evenementen te houden. Volgens de raad is het niet nodig om beperkingen te stellen aan het gebruik van deze gronden voor evenementen. Volgens de raad is de oppervlakte van dit gebied zodanig dat grootschalige evenementen ter plaatse niet mogelijk zijn. De raad acht verder de definitie van ‘evenement’ zodanig dat ook daar beperkingen uit voortvloeien voor de toegestane evenementen. Lees meer in r.o. 16.2 e.v. van bovengenoemde uitspraak.

Wanneer moet je geluidhinder evenementen regelen in het bestemmingsplan?

Verwachte geluidshinder van evenementen wordt in de gemeentelijke praktijk meestal via het ‘milieuspoor’ getoetst en – waar mogelijk – via voorschriften in een vergunning geregeld. Bij de vaststelling van bestemmingsplannen wordt er meestal geen aandacht meer besteed aan ‘geluid’. Dit komt omdat er gedacht wordt dat de getoetste geluidsnormen in het ‘milieuspoor’ van het betreffende evenement ook wel geen obstakel zullen vormen in het ruimtelijk spoor. Deze aanname is niet juist.

Welke aspecten van geluid kunnen geregeld worden in het bestemmingsplan?

In planregels van een bestemmingsplan kunnen alleen ruimtelijk relevante aspecten worden geregeld. Het moet vanuit een oogpunt van ‘een goede ruimtelijke ordening’ noodzakelijk zijn. Bij de keuze voor een locatie als evenemententerrein kunnen de volgende aspecten ruimtelijk relevant zijn:

  • maximale aantallen bezoekers
  • aantal evenementen per jaar
  • soort evenement
  • geluidsoverlast vanwege bezoekers
  • nabije omgeving van het evenemententerrein (omliggende woningen of andere voor geluid gevoelige bestemmingen)
Welke geluidsaspecten van evenementen worden geregeld in de APV?
In de APV zijn regels opgenomen die betrekking hebben op de handhaving van de openbare orde binnen een gemeente. In artikel 2.2.2 van de Model-APV is bepaald dat het verboden is zonder (evenementen)vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. De vergunning kan geweigerd worden in het belang van:
  • de openbare orde
  • het voorkomen of beperken van overlast
  • de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen
  • de zedelijkheid of gezondheid
Verder kent de APV in artikel 4.1.7 een regeling dat het verboden is toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
Aantal onderdelen van de APV hebben ook ruimtelijke relevantie
Geluidsoverlast van geluidsprekers kan met een evenementenvergunning worden voorkomen. Geluidsoverlast vanwege vertrekkende bezoekers. Indien er sprake is van mogelijke overlast van luidruchtige bezoekers voor omliggende woningen, kan dit een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat opleveren. Dit onderdeel moet dan worden geregeld in het bestemmingsplan.
Welke geluidsaspecten van evenementen worden geregeld in de Wabo?
Een evenemententerrein kan in bepaalde gevallen als een ‘inrichting’ worden aangemerkt. In de vergunning kunnen dan voorschriften worden opgenomen omtrent geluid. Ook in dat geval wil dat nog niet zeggen dat er geen voorschriften over geluid in het bestemmingsplan moeten worden opgenomen. Dit komt omdat niet alle gevolgen van geluidhinder die ook ruimtelijk relevant zijn, in de beoordeling van een omgevingsvergunning m.b.t milieu kunnen worden betrokken.
Hoe geluid regelen in het bestemmingsplan?
Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen voor omwonenden is het nodig om in de planregels bepalingen op te nemen over het aantal evenementen(dagen), het maximale aantal bezoekers en het soort en de omvang van evenementen. Ook het verbieden van bepaalde evenementen (bijv. een rockfestival) kan hierbij een optie zijn.
De Afdeling is hierbij streng en redeneert zelfs dat gemeenten in verband met het rechtszekerheidsbeginsel niet kunnen volstaan met een globale regeling voor een evenemententerrein in het bestemmingsplan. De regeling in het bestemmingsplan moet duidelijkheid geven over de vraag welke milieugevolgen voor de omgeving van de evenementen kunnen optreden.
Deze lijn van de Afdeling maakt het naar mijn mening noodzakelijk om als gemeente bij het bestemmen van een terrein als evenemententerrein, altijd goed in kaart te brengen welke evenementen op het terrein worden toegestaan, de frequentie en welke bezoekersaantallen het evenement zal aantrekken. Een popfestival heeft met betrekking tot geluid een ander effect dan een braderie of een boekenmarkt. Neem het gemaakte overzicht op in de toelichting van het bestemmingsplan en laat zien dat je als gemeente aandacht hebt besteed aan het aspect geluid en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden. Dit is al een enorme winst, want uit de meeste uitspraken blijkt dat er helemaal geen aandacht aan wordt besteed. Neem vervolgens de nodige beperkingen op in de planregels met betrekking tot het evenemententerrein, zoals een beperking in soort evenement of maximale aantallen bezoekers.
Uitspraken over geluidhinder evenementen en bestemmingsplan

Voor vragen: bel met Marian Harberink via 06-55897008

milieucategorie bedrijven in bestemmingsplan terugbrengen

Milieucategorie bedrijven in bestemmingsplan terugbrengenmilieucategorie bedrijven

Het onderhavige bestemmingsplan maakt de vestiging mogelijk van een te verplaatsen bedrijf naar een nieuwe bedrijfslocatie. De onderliggende bestemming liet bedrijven toe met een milieucategorie 4. De bestemming ‘Bedrijf’ had gemeente aangepast en in de regels was bepaald dat er bedrijven worden toegelaten tot maximaal milieucategorie 3. Appellant voert aan dat het terugbrengen van een toegestane milieucategorie nog niet betekent dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De woning van appellant staat op een afstand van 15 m tot het bedrijfsperceel. In de Staat van Bedrijfsactiviteiten wordt een afstand aanbevolen van 50 tot 100 m.

De Afdeling oordeelt dat het terugbrengen van een bestaande milieucategorie bij een bestemming nog niet betekent dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. “Nu de raad heeft aangegeven geen onderzoek te hebben gedaan naar de gevolgen van de vestiging van het metaalbedrijf voor het woon- en leefklimaat van appellant en gezien de korte afstand tussen het voorziene metaalbedrijf en de woning van appellant, zijn de gevolgen van het bestreden plandeel voor het woon- en leefklimaat van appellant onvoldoende inzichtelijk gemaakt.” Zie ABRS 9 mei 2012, 201106850/1/R2. (milieucategorie bedrijven)

Tip voor de praktijk: Onderbouw altijd waarom een afwijking van de aanbevolen afstanden uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ of uit de bedrijvenlijst van het bestemmingsplan nodig is en neem dit op in de toelichting van het bestemmingsplan. Geef aan waarom de verkorte afstand niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat. Betrek hierin zowel de feitelijke situatie als de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Ondersteun dit met foto’s en een akoestisch onderzoek.

Vragen over onderbouwing milieuzonering?

omgevingsjurist

 

spuitzones boomgaarden en tuinen woningen

Spuitzones boomgaarden en tuinen woningenspuitzones boomgaarden

Een groot misverstand is dat bij het meten van de afstand tussen een boomgaard en te realiseren woningen wordt gemeten van het bouwvlak (of gevel van woning) tot de boomgaard. Dit komt waarschijnlijk omdat de vergelijking wordt gemaakt met de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering. De aldaar genoemde richtafstanden gaan immers uit van afstanden van de gevels van woningen tot aan de grens van percelen die bedrijvigheid mogelijk maken.

Van belang is om de achtergrond te weten van spuitzones. Bij het bespuiten van gewassen komt namelijk spuitvloeistof (drift) vrij. Deze spuitnevel kan ook op gazons en omliggende perken neerkomen. Dit kan – afhankelijk van de gebruikte gewasbeschermingsmiddelen – een risico vormen voor de gezondheid van omwonenden. De Afdeling heeft al vaker geoordeeld dat ook tuinen bij woningen bescherming toekomen. Met andere woorden: er dient gemeten te worden vanaf het bestemmingsvlak ‘Wonen’ of (in voorkomende gevallen) ‘Tuin’. Dit wordt nog eens bevestigd in een uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012, 201012191/1/R3.

Lees meer over spuitzones van boomgaarden.

Schakel De Omgevingsjurist in voor een onderbouwing over spuitzones van boomgaarden en woningen.

omgevingsjurist